De kinderen op ons pleintje spelen kindsoldaatje. Luka juicht. Hij wil meedoen. En hij wil ook zo’n levensgrote legergroene plastic mitrailleur. Hij begint te rennen, houdt halt voor het jochie met het wapen, salueert, veegt het peuterkwijl van zijn kin, en vraagt: ‘mag ik even met jouw schietpistol?’ Ik glimlach trots naar de andere moeders, die een eindje verderop hun sigaretten staan uit te drukken op de glijbaan. Hoorden jullie dat? Hoe beleefd, goed opgevoed en voorlijk mijn kleintje dat vroeg? 

Ze hoorden het niet.

De jongen met het pistool evenmin. Hij kijkt Luka even aan. Hoewel geen peuter meer, meen ik een sliertje kwijl onder zijn kin te zien. Hij gaat weer verder met kleuters afknallen. Luka doet dapper nog een poging: ‘mag ik hem nu? Ja of nee?’ Geen reactie. ‘Ja of nee-hee?’ Stilte. ‘Ik wil hem!’ Aziz haalt zijn schouders op. Luka begint aan de mitrailleur te sjorren. Maar Aziz blijkt niet van plan los te laten. Hij zegt iets in het Turks. Aziz geen Nederlands spreken.

Hij probeert Luka van zich af te slaan. De taal van het lichaam spreekt Aziz wel. Maar Luka ook, en beter. Die gromt en ontbloot zijn melktandjes. Weloverwogen en vol overgave zet hij ze in de hand van zijn tegenstander. Nat van het kwijl, glibbert de mitrailleur de zandbak in. Luka pakt hem kalm op, richt en spant de trekker.

‘Ik mag hem. Ik heb het toch netjes gevraagd?

Hij vuurt.

 

Lees ook ‘Waarom gedraagt mijn peuter zich zo vreemd?’