“Echt iedereen heeft kinderen.” Floris had het gezegd alsof er een wereld voor hem open was gegaan. Een ooit onzichtbare wereld van pampers, medela en zwitsal, of, zo je wilt, van hoppediz, weleda en dokter Vogel. Een wereld waarin de mannen van Mars, de vrouwen van Venus en de kinderen van Pluto kwamen, om er samen het beste van te maken. 
Vroeger waren ouders en kinderen iets van een andere planeet. Toen was ‘in de maneschijn’ de achtergrond van een romantische strandwandeling, in plaats van een slaapliedje dat we gemiddeld vijftig keer per dag zouden zingen. We fluisterden stiekem: ‘Goh, zij is gestopt met werken. Wat zal haar wereld klein worden’, om nu trots te verkondigen: ‘Mijn universum draait om mijn zoon. Werk komt op de tweede plaats.’ 
Maar het was natuurlijk niet waar. Niet iedereen had kinderen. Sterker nog, de wereld van vroeger bestond nog steeds, maar dan in een ander sterrenstelsel. En daar woonden, we zagen ze niet, maar ze waren er wel, mannen en vrouwen die naar onze wereld verlangden, zoals wij ons soms terug in die van hen droomden.
Wij, mijn marsmannetje, het kind van Pluto en ik, ontdekten met elkaar ons nieuwe bestaan, alsof we moesten leren lopen op de maan. Maar gelukkig waren we niet de eersten, noch de enigen. En soms, steeds vaker zelfs, zweefden we samen gewichtsloos door de ruimte, tussen de pampers en weleda. Dan waren we blij dat we van een andere planeet waren, en voelden ons toch wel uniek. 

Lees ook ‘Blondie’ over het moment waarop Floris deze nieuwe wereld zag.