Het is hun beleid: ‘mevrouw mag haar broekje aan houden, maar wij proberen toch zo veel mogelijk veren in haar kontje te proppen.’ De immer vrolijke verloskundigen van de echopraktijk strooien met pluimen als waren het pepernoten. Dik twee jaar terug verdiende ik ze voor Luka’s hoofd (‘perfect rond’), voor mijn buik (‘mooi rond’), voor mijn bloed (‘mooi rood’). Ik lachte zelfvoldaan over mijn überbaby, mijn überbuik en mijn überbloed.

Ook deze keer scoor ik weer. Hoppa, een aai over mijn bol voor de manier waarop ik mijn broek openknoop (‘heel meewerkend’), voor mijn pis (‘goed gevulde blaas’), mijn poep (‘fantastische darmactiviteit’) en voor mijn eierstokken (‘in één woord práchtig’).
Nee, de verloskundige stuurt me ook nu niet met lege handen naar huis. Gloeiend van trots stap ik weer naar buiten.
Ik heb de beste miskraam van de klas gemaakt.