Zijn ogen kijken diep in de mijne. “Luka naar oma. En papa en mama en papa!” Ze lachen.
De mijne kijken liefdevol terug: “Luka gaat naar oma, en mama en papa gaan werken. Wij komen je om half zes weer ophalen.”
Het lachen verdwijnt. “Nee, samen. Met z’n allen.”
“Jij wil graag bij ons zijn, hè Luka? Ik wil ook graag bij jou zijn. Maar ik moet werken. Daarom mag jij bij oma spelen.”
“Nee. Niet naar oma.”
Een vleugje wanhoop.


“Bij mama blijven.”
Een sprankje hoop.
“Oh liefie, ik ga je ook missen. Maar je vindt het toch leuk bij oma?”
“Nee, niet leuk.”
“Je gaat toch met oma naar de kinderboerderij, en de molen, en de fontein?”
“Nee.”
Ze vullen zich met tranen.
“Zal mama een liedje zingen?”
“Ja, van Woezel en Pip.”
De tranen blijven waar ze zitten.
“…dan ben ik altijd dicht bij jou. Dan ben ik altijd dicht bij jou. Dan ben ik altijd dicht bij jou-hou-hou! Want Woezel, Woezel, lieve kleine Woezel, mijn allerbeste vriendje ben jij.”
Nu worden mijn ogen ook vochtig.
“Kijk, daar is oma.”
“Luka wil niet naar oma.”
Hij knijpt ze stijf dicht. Alsof oma daarmee verdwijnt.
“Ga maar lekker zitten in oma’s fietsstoel.”
“Nee!”
“Ik kom vanmiddag weer.”
“Nee!”
“Dag lieve Luka, ik hou van jou!”
Ik richt mijn blik op de grond. Maar mijn oren en mijn hart horen hem huilen. En schreeuwen. En huilen.
Oma fietst weg, maar het huilen blijft.
Hoe kan ik Luka ooit nog onder ogen komen?

Lees ook ‘Een half uur oneindig trots’ over oppassen en ‘Goede voornemens 3’ over blijven werken.