Toen:
Toen we nog zorg- en kinderloos waren, wisten we zeker dat we niet zoals andere vaders en moeders zouden worden. Ik zou mijn kind bijvoorbeeld nooit een potje fabrieksvoedsel geven.

Wij aten niet uit potjes, dus dat zou ons kind ook niet doen. Simpel. We vonden het nep, smakeloos, en misschien zelfs een beetje eng, die zogenaamde volledige maaltijden achter glas.

Nu:
Luka heeft twee keer een potje geprobeerd, maar elke hap uitgespuugd. Ik zou graag zeggen dat hij smaak heeft. De smulpaap krijgt namelijk al bijna twee jaar het beste onder de zon, en dat is geen appelsientje, maar mijn moedermelk, moedermelk en nog eens moedermelk, zo veel hij maar wil. Dat is de basis. Lekker makkelijk, de rest is extra.

Toen hij zes maanden oud was, zette hij zijn eerste twee tandjes in een stuk wortel, een banaantje, courgettetje. Niet gekookt en gepureerd, maar uit mijn eigen bord gevist en op het zijne gedrapeerd. Of we sneden een rauwe homp groenvoer af voor meneer. Rapley-methode, met een duur woord. De belofte van mevrouw Rapley: je zoontje leert zelf eten, op zijn tempo en maakt kennis met echt eten, echte structuren en echte smaken. Luka sabbelde, knabbelde en kwijlde. Soms kwam er zelfs iets bij hem binnen. Soms kokhalsde hij het er met toegift en al weer uit. Een tafereel dat tantes en oma’s ter plekke deed bezwijken van angst.

Luka heeft het overleefd. Hij mag tegenwoordig ook wel eens iets waar zout of suiker in zit. Maar met tegenzin van papa en mama. En moedermelk natuurlijk, maar niet meer zo vaak als anderhalf jaar geleden. Ook dat beslist meneer op zijn eigen tempo. Eigenlijk mag hij bijna alles wat hij wil. Zelfs een potje met suiker vermomd als geconcentreerd appelsap, maar die wil hij niet.

Toch leuk dat het me tenminste gelukt is om één goed voornemen waar te maken.

Lees hier over mijn andere goede voornemens: ‘Ik zal blijven reizen‘, ‘Ik zal blijven stappen’, ‘Ik zal blijven werken’ en ‘Ik word geen moeke’.