Ik ben een goede, geduldige moeder. Als Luka ’s ochtends om 5.00 uur aankondigt dat hij uit bed gaat, en dat ook doet, neem ik hem rustig op de arm, laat hem zien dat het nog nacht is en vraag hem samen met mij te luisteren naar de wereld die slaapt. Met geluk lukt het me hem in de schommelstoel aan de borst weer in slaap te laten sabbelen. Zonder geluk… tsja.

En als hij dan een paar uur later bij het ontbijt graag met een scherp mes een peer in stukken wil snijden, dep ik zonder commentaar de sapspetters op. Wil hij ‘zelluf’ koude thee drinken, oh nee, melk uit een bekertje, dan schenk ik dat voor hem in. Maar dan slingert hij ineens zijn beker over tafel. “Luka graag thee-hee!” Ik formuleer een driedelige ik-boodschap uit het boekje: “Als jij met de beker gooit, ben ik bang dat hij stuk gaat. En het geeft een troepie. Nu moeten we het opruimen.” En als hij even later onder luid protest weigert een broek aan te doen, dan laat ik hem toch lekker in zijn blote billen lopen? Het plasje op het hout poets ik begripvol weg. Dat hij daar niet bij wil helpen, vind ik jammer, maar zijn keus.

Totdat het tijd is voor de supermarkt. Dan vraag ik Luka kalm wanneer hij er klaar voor is om op de fiets te gaan. Zijn ‘nog niet’ accepteer ik goedmoedig. Een keer of vijf. Dan zet ik een wekker en kondig met zelfverzekerde stem aan dat ik hem nu aan ga kleden. Ik ontwijk handig zijn schoppen. Hij huilt best hard. Zo hard dat ik aan mijzelf begin te twijfelen en stop met aankleden. “Doe je zelf je broek aan?” “Nee!”

In de fietsstoel wil hij niet. In de draagdoek ook niet. Zelluf lopen. Ik laat hem een paar meter lopen, maar hij loopt niet, hij staat stil. Ik maak grappige marcheerstappen en hij volgt een paar seconden grinnikend. En staat weer stil. “Luka, ga je mee? Mama wacht op je. Ik wil graag naar de winkel.” Hij gaat liever van de glijbaan. “Één keer!” Ik vang mijn zoon onder de glijbaan en zet hem in de fietsstoel. Met de belofte dat we straks gaan glijden. “Ik wil graag naar de winkel om avondeten te kopen. Anders hebben we geen avondeten, dat kan toch niet?” “Luka graag níet avondeten!” Ik glimlach willekeurig om zijn veel te slimme antwoord.

Laat thuis (door die beloofde glijbaan natuurlijk). Ik ben moe. Luka ook. Maar hij wil ‘graag níet slapen’. Hij wil een boek lezen. We komen tot een compromis: het boek gaat mee naar bed. Ik wurm mezelf in een positie dat hij kan drinken en lezen. Mijn arm slaapt eerder dan mijn zoon. Ik ben moe. Ga stiekem liggen. Hij merkt het en blaft boos dat ik moet zitten. Ik wil niet zitten. “Mama is moe. We kunnen wel liggend lezen.” Hij is het er niet mee eens. Luka’s woorden zijn op. Hij trekt aan mijn vingers, mijn arm, mijn haren. Hij trekt hard, zo hard als hij kan. Het doet pijn. Mijn geduld is op. Ik trek aan zijn blonde peuterkrullen. Ik trek zo hard als ik kan.

Ik ben een verdrietige, vermoeide moeder.

Lees ook ‘correcties in corrigerende opvoedtaal‘.