Tekening van de ogen en haren van een wakkere vrouw

Ik deelde vanaf nu het bed met twee mannen. Officieel en met goedkeuring van alle partijen.
We hadden namelijk een co-sleeper gebouwd. Of, in normaal Nederlands, een aanschuifbedje. Dat klonk wat minder klinisch, wat gezelliger.
Want het zag er ook erg gezellig uit: van een oud ledikantje hadden we een spijlenkantje gesloopt en aan ons nieuwe 1.40-bedje vastgesjord. Supersimpel. De muren van onze ‘master bedroom’ hielden het geheel in het gareel. Zo leek een kleine kamer haast een voordeel.
’s Nachts lagen we voortaan dicht tegen elkaar aan. Al gebeurde dat voorheen ook wel, want bij elke nachtvoeding vielen Luka en ik in het grote-mensen-bed in slaap, maar als ik dan een paar uur later wakker werd, voelde ik me altijd een beetje betrapt. Ik legde hem zo stiekem, snel en stil als ik kon terug in zijn kleine mandje. Om terug op mijn eigen kussen af te tellen tot ik weer op moest staan.
Dat hoefde nu niet meer. Als Luka maar een kik gaf, draaide ik mij om, tiet erin en sliep verder. Een kik later volgde de andere kant. En zo kwamen we de nacht wel door.
Zodra Luka mijn moederborsten losliet, kroop ik gauw weer warm tegen Floris aan. Vijf minuten. Om dan weer terug te rollen naar een piepende Luka. Sabbelend soesde hij vanzelf weer weg. Net als vader Floris, die het op een vermoeid snurken zette.
Soms lagen we lepeltje-lepeltje-lepeltje. Ik prees mijzelf gelukkig met deze sandwich voor moeders. Ook met verkrampte heupen en tintelende armen van het urenlang in dezelfde houding liggen.
We deelden de 1.40 met z’n drietjes. Het aanschuifbedje bleef intussen leeg.
Heel gezellig inderdaad, maar van slapen kwam weinig.
Ach, wie wil er dan nog slapen met twee mannen in haar bed?

Lees ook het stukje over de ‘Schommelstoel’.