Natuurlijk ouderschap is geweldig, in ieder geval bij je eerste kindje. Maar met twee, wordt ‘ballen in de lucht houden’ ineens acrobatiek. Deel drie in de serie: over luisteren naar kinderen.

Luisteren naar kinderen

Zo zag ik het voor me: Luka is een heel redelijk tiepje. En als je hem maar voldoende ruimte geeft en goed luistert, kun je prima met hem samenwerken. Wil hij nog even schommelen? Dan vind ik dat prima, quality time met moeder en zoon. Wil hij op weg naar de supermarkt een uurtje met een stokje in een perkje prikken? Prima, hondenpoep is ook een soort natuur. En als hij iets doet wat niet fijn is (haren trekken, bijten, water in bed gooien), dan leg ik hem rustig uit dat dat, inderdaad, niet prima is. Overleggen met kinderen kweekt grote mensen met zelfvertrouwen en een gedegen eigen mening, lijkt mij. En Alfie Kohn van het boek ‘Unconditional parenting’ is het met me eens.

In de praktijk: Luka wil inderdaad nog schommelen. Dus duw ik hem tien, twintig, duizend keer. Intussen wil Jep melk drinken. Dus voed ik hem in de draagdoek. Maar ik moet eigenlijk ook plassen. En mijn sluitspiertjes zijn nog niet helemaal in topvorm. Dus leg ik dat aan mijn redelijke peuter uit. Maar Luka roept alleen maar: ‘harder’, ‘hoger!’ en is niet van plan te stoppen. Niet van plan samen te werken of überhaupt te luisteren. Fuck zelfvertrouwen en fuckkerdefuck een eigen mening. Oh ja, en fuck quality time. Hij is een fucking peuter, hij moet doen wat ik zeg! Een seconde later sta ik mijn oudste zoon van de schommel af te sjorren terwijl zijn broertje in de draagdoek huilt en mijn broek steeds natter wordt. Fuck.

Lees hier hoe een geduldige moeder ik was.