Ik lig tussen twee mannen, mijn twee mannen. Ik mag een wens doen. Wat heb ik nog te wensen?
Mijn handen beginnen te zweten, maar ik haal ze er niet uit. Niet uit de linker, groot, stevig en veilig, niet uit de rechter, klein, zacht en speels. Straks worden ze wakker.

Floris’ neus steekt in mijn haren. Hij ruikt naar 212 Men en Paradontax. Luka naar aardbeien en melk. Zijn wang plakt onder mijn oksel. Ik wil niet weten wat hij daar ruikt.

Achter mijn ogen zie ik ons liggen. Een drie-eenheid. Verbonden, veilig, vredig. Mijn linker-eenderde zucht tevreden, heel diep. En nog een keer, heel hard. Het gesnurk van Floris zaagt de vredige stilte wreed door, regelrecht mijn gehoorgang in. Ik wil hem onder zijn neus vandaan wringen, maar ik doe het niet. Laat hem maar slapen.

Doodsstil lig ik op mijn rug. Op het plafond wordt de schaduw van de appelboom wakker. Buiten kondigen de vogels een nieuwe dag aan. Hoe laat zal het zijn? Vijf uur? Zes uur? Ik lig tussen mijn twee mannen. En ik ben wakker, al de hele nacht.

Ik wens dat ik naar de wc kan.

Lees ook ‘In slaap voeden’ en ‘kinderhanden in de ochtend‘.