Mijn neus heeft het koud. Mijn arm heeft het koud. Zelfs mijn oksel heeft het koud. Ik kan ze niet onder de deken warmen. Daar ligt Jep al, met zijn warme babyneusje, zijn warme babyarmpjes en zijn warme babyokseltjes.

Sorry, ik besef het niet. 

Luka draait zich om. Zijn prikpeutertenen porren in mijn knieholte. Zijn scherpe ellebogen zoeken een plekje tussen mijn schouders.

Sorry, ik besef het niet.

Op de achtergrond de zware cadans van Floris’ gesnurk. Een diepe zucht van Luka. Babykreuntjes van Jep. Ze slapen. Ik houd mijn adem in. Alsjeblieft, laat ze slapen.

Sorry, ik besef het niet.

Mijn heup steekt. Mijn knie knikt. Een haartje kriebelt in mijn oor. Ik laat ze steken, knikken en kriebelen. Ik laat ze liggen.

Sorry, ik besef het niet.

Ooit zal het tot me doordringen. Als het te laat is waarschijnlijk: mijn bed leeg, met alleen nog de herinnering aan de kleine, warme kinderlijfjes. Aan hun eigen, grootse, aanhankelijke liefde. Een herinnering aan toen, toen ik het niet besefte.

Luka’s ledematen komen in beweging. Zijn stem sluimert: “Mama? Mama, wil je het nog een keer zeggen?”

Ik adem diep in, en dan zeg ik het, zoals ik het elke nacht zeg:

“Wat ben ik toch gelukkig met mijn twee jongens. Een is groot en een is klein. Luka en Jep, ik ben heel blij met jullie.”

Ik besef het niet.

En trek mijn kinderen nog wat dichter tegen mij aan.

Lees ook Twee mannen in mijn bed en Samen slapeloze nachten over samen slapen.